10 veelvoorkomende taalfouten die je nooit meer mag maken

Bijleren: wiskunde, Frans,... 5 min read

Iedereen maakt weleens een taalfoutje. Maar die maak je liever niet als je een belangrijke mail verstuurt of een groot rapport moet inleveren. De Nederlandse taal is soms verraderlijk. Want hoe zit het met die -d'tjes en -t'jes.... Is het nu u of uw? Hieronder vind je de 10 meest gemaakte taalfouten. Die ga jij vanaf nu niet meer maken!

taalfouten

1. Los of aan elkaar?

Soms twijfel je of een woord nu één woord is, of meerdere woorden. Zoals het woord 'veelvoorkomend' in de titel. Is het niet 'veel voorkomend'?

Het Nederlands is een echte 'aan-elkaar-schrijftaal'. Een samenstelling van drie woorden wordt helemaal aan elkaar geschreven. Onder invloed van het Engels worden hier steeds meer fouten in gemaakt. Daarnaast zie je woorden vaak in stukken geknipt op covers van boeken en magazines staan. Gewoon, omdat het mooier staat dan zo'n lang woord. Terwijl het eigenlijk fout is!

Een paar voorbeelden:

  • managementmedewerkersbrochure
  • meervoudigepersoonlijkheidsstoornis
  • chronischevermoeidheidssyndroom
  • arbeidsongeschiktheidsverzekering
  • elektriciteitsproductiemaatschappij

Leuk voor galgje!

2. Die of dat?

'Het meisje die daar loopt, vind ik heel knap.', is echt fout. Toch hoor je dit steeds vaker in spreektaal, en lees je het soms zelfs in schrijftaal.

'Meisje' is een het-woord, en daarom verwijs je ernaar met 'dat'. 'Die' gebruik je bij de-woorden en meervoudsvormen. Een voorbeeld: 'De trui die jij draagt, vind ik mooi'. En: 'De kinderen die daar spelen zijn mijn neefjes'.

3. Haar of zijn?

Tegenwoordig lees je veel zinnen zoals: 'Het bedrijf gaf haar medewerkers een kerstpakket'. Of: 'Italië met haar mooie stranden..'.

Sommige redacteuren noemen het de 'haar-ziekte'. Het komt namelijk een beetje deftig over, en daarom gebruiken veel mensen het. Maar: bedrijven, steden en landen zijn onzijdig. Dat betekent dat ze noch mannelijk, noch vrouwelijk zijn. Er wordt dan verwezen met 'zijn'.

  • Mannelijk: verwijzen met 'zijn';
  • Onzijdig: verwijzen met 'zijn';
  • Vrouwelijk: verwijzen met 'haar'.

4. Media: meervoud of enkelvoud?

De media zijn meervoud, hoe vreemd dat ook klinkt. Je vervoegt het werkwoord dus ook in het meervoud: 'De media zijn vol lof over de nieuwe theatervoorstelling'. Zodra jij ergens ziet: 'de media is...', dan weet je dat het een van de frequentste taalfouten is!

5. Dat of wat?

'Dat of wat' is een lastige kwestie. Het wordt zo vaak fout gedaan, dat sommige mensen pleiten voor nieuwe regels. Maar voorlopig zijn die er nog niet... Hieronder vind je een rijtje voor wanneer je 'wat' gebruikt. In alle andere gevallen gebruik je 'dat'. Snap je dat nog?

  • Na een onbepaald woord, zoals: iets, niets, alles, het enige. Ik zoek iets wat ik gisteren nog in mijn handen had.
  • Na 'dat' en 'datgene' (voornaamwoord). Ik heb het over datgene wat je net zei.
  • Na een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord. Meestal is dit een overtreffende trap. Dit is het geweldige wat ik bedoelde!
  • Na een telwoord of rangtelwoord: Dit is het laatste wat ik vond.
  • Als het terugslaat op een hele zin: Hij viel van zijn fiets, wat hem een gebroken been opleverde.
  • Als het antecedent (datgene waarop 'wat' slaat) niet genoemd is: Wat hij heeft, wil zij ook.

Een uitgebreidere uitleg over dat/wat vind je hier.

6. Verkeerd gebruik van de komma

De komma is een bijzonder ding. Op sommige momenten móet je hem plaatsen, en verder mag je het helemaal zelf beslissen. Een komma lijkt onbelangrijk, maar het kan de betekenis van de zin veranderen, bijvoorbeeld:

  • Schiet op, Gerrit!
  • Schiet op Gerrit!

Dat is toch een enorm verschil!

Gebruik een komma in ieder geval:

  • in opsommingen. Ze kocht kaas, worst, brood en chocola.
  • tussen gelijkwaardige bijvoeglijk naamwoorden. De mooie, nieuwe fiets.
  • voor en na een bijstelling. Hij keek naar Tessa, die een wijnrode jurk aan had, en knikte naar haar.
  • Voor en/of na een aanspreking. Finn, heb je je kamer opgeruimd? Natuurlijk niet, moeder.
  • tussen twee persoonsvormen. Wat hij gedaan heeft, houd je niet voor mogelijk.
  • voor voegwoorden zoals: hoewel, omdat, zodat, opdat, indien, maar, aangezien... Ik ben heel blij, maar dáár word ik verdrietig van.

7. Eens of is?

Het woordje 'eens' wordt steeds vaker vervangen door 'is'. Het klinkt ook wel lekker: 'Doe is normaal!' Maar het moet eigenlijk zijn: 'Doe eens normaal'.

Als je letterlijk naar de zin 'doe is normaal' kijkt, kan het ook niet. Let dus goed op! In spreektaal maakt het niet zo uit omdat je het verschil bijna niet hoort. 'Doe is normaal' vs. 'Doe 's normaal'. Toch is het echt 'eens'. Ben jij het daarmee eens?

8. Als of dan?

De bekende als/dan-kwestie... Dit gaat vooral fout bij de vergrotende trap.

Je hoort soms foutief: Jan is kleiner als Freek. Maar het moet zijn: Jan is kleiner dan Freek. Dit geldt voor alle vergrotende trappen, dus ook: Freek is langer dan Jan.

'Als' is wel correct bij de stellende trap: Jan is even klein als Freek.

9. Mij of ik?

Een vergelijkbare zin is: 'Hij is kleiner dan mij'. De als/dan-kwestie gaat hier goed, maar de mij/ik niet. Een handig ezelsbruggetje om te weten of je 'mij of ik' gebruikt, is om de zin langer te maken: 'Hij is kleiner dan ik ben'. Zo hoor je dat het 'ik' moet zijn!

Hetzelfde geldt voor 'jij/jou', 'wij/ons', 'zij/hen'....

  • De buren houden vaker barbecues in de tuin dan wij.
  • Waarom is je klasgenoot niet even oud als jij?

10. Hen of hun?

De laatste in het rijtje van taalfouten is een klassieker. Veel mensen gebruiken continu het woordje 'hun'. Bijvoorbeeld: 'Hun staan bij de ingang'. Dit moet zijn: 'Zij staan bij de ingang'. Of: 'Dit boek is van hun'. Terwijl het moet zijn: 'Dit boek is van hen'.

  • Hun: is een bezittelijk voornaamwoord. Je gebruikt het bij bezit: Dit zijn hun fietsen. Je kunt 'hun' ook als meewerkend voorwerp gebruiken: Lisa gaf hun een cadeau. Maar niet als er een voorzetsel bij staat: Lisa gaf aan hen een cadeau.
  • Zij: is een persoonlijk voornaamwoord, je gebruikt het voor personen. Daarom: Zij staan bij de ingang.
  • Hen: gebruik je bij een lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Lisa gaf aan hen een cadeau. Heb jij hen naar het station gebracht?

Maak jij wel vaker taalfouten en kun je individuele bijles voor Nederlands of schrijfvaardigheid goed gebruiken? De ervaren docenten van BijlesHuis helpen je graag op weg.

Laat hieronder je gegevens achter en blijf zo op de hoogte van onze nieuwste artikels. Je ontvangt verder geen reclame of andere e-mails.

nederlands bijles taal leren taalfouten